Ran Vossen bezit een gedegen ervaring en kennis wat betreft de verblijfsregeling voor de kinderen. Dit geldt zowel voor gehuwden als voor samenwonende partners.

In de regel blijven de ouders, nadat zij afzonderlijk wonen, samen het ouderlijk gezag uitoefenen. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden wordt het ouderlijk gezag exclusief aan één ouder toegekend.

Voor wat betreft het verblijf van de kinderen, voorziet de wet dat de rechter, op vraag van één van beide ouders, bij voorkeur de mogelijkheid onderzoekt om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen beide ouders te verdelen. Dit wordt verblijfsco-ouderschap genoemd.

Op die manier heeft de wetgever een einde willen stellen aan de vroegere rechtspraktijk waarbij bijna quasi automatisch een hoederecht werd toegekend aan de ene ouder met een beperkt bezoekrecht voor de andere ouder.

‘De gelijkmatig verdeelde huisvesting’ betekent niet noodzakelijkerwijze een week-om-weekregeling. De bedoeling is dat de kinderen evenveel tijd bij hun moeder, als bij hun vader doorbrengen. Een gelijk verblijf kan ook bestaan in een verblijf waarbij het kind tijdens de schoolweken hoofdzakelijk verblijft bij de ene ouder en tijdens de vakantieperiodes en de weekends bij de andere ouder.

Deze regeling is enkel van toepassing op de ouders die geen akkoord hebben bereikt omtrent het verblijf van de kinderen. Wanneer de ouders het onderling eens zijn dat de kinderen hun hoofdverblijf bij één ouder hebben, kunnen zij dat nog steeds zo in hun echtscheidingsvonnis laten acteren.

Indien de gescheiden ouders het echter niet eens worden, zal de rechter dus de voorkeur geven aan een ‘gelijkmatig verdeelde huisvesting’ van het kind. De andere ouder zal moeten argumenteren waarom hij /zij van oordeel is dat een dergelijke regeling niet is aangewezen .

De rechter dient nu prioritair de mogelijkheid van een gelijk verblijf bij beide ouders te onderzoeken. Dit betekent echter niet dat de rechter verplicht is deze regeling op te leggen.

De rechter dient alleszins, welke beslissing hij ook neemt, deze grondig te motiveren en bij het nemen van een beslissing in eerste instantie rekening te houden met de belangen van het kind.

Bij het nemen van een beslissing zal de rechter ondermeer rekening houden met:

  • de leeftijd van het kind
  • afstand tussen de woonplaatsen van beide ouders
  • beschikbaarheid van de ouders
  • de wensen van het kind (de rechter heeft de verplichting kinderen ouder dan 12 jaar te horen)
  • de verstandhouding tussen beide ouders: indien de ouders zich in een conflictsituatie blijven bevinden, die een weerslag heeft op de ouder-kind relatie, is de rechter eerder
  • geneigd af te wijken van een gelijke verblijfregeling.

De motieven op basis waarvan een verblijfsco-ouderschap, gevraagd door één partij, wordt geweigerd, zijn onder andere de jonge leeftijd van het kind, het gebrek aan goede verstandhouding tussen de ouders, waarbij een minimale verstandhouding tussen de partijen wordt verondersteld.

Een algemene regel is dat de rechter een verblijfsregeling steeds zal beoordelen in functie van de belangen van het kind.

Vanaf de leeftijd van 12 jaar dient de rechter het kind verplicht te horen.